|
Column Mark Kranenburg
Geachte informateur, geachte heer Wijffels,
Het begin van uw werkzaamheden is zondermeer origineel te noemen. Niet
aan het Binnenhof, maar ver weg van Den Haag in een setting waarbij men
elkaar niet alleen maar aan de vergadertafel treft. Ver weg ook van de
Haagse journalistiek waar elk woord plotseling zijn eigen onvoorspelbare
dynamiek kan krijgen. Ver weg tenslotte ook van de eigen politieke entourage
die niet kan nalaten advies op advies voor hun onderhandelaars te stapelen.
Wat dat laatste betreft: is het wellicht een idee bij de volgende ‘buiten
Binnenhof-sessie’ een verbod uit te vaardigen op het meebrengen
van mobiele telefoons en blackberries die nu nog pontificaal uitgestald
lagen voor uw gesprekspartners, zoals op de foto’s uit Beetsterzwaag
viel te zien. Want met wie praat men daar nu eigenlijk? Met elkaar of
toch met de buitenwereld? Leerlingen op school wordt op straffe van in
beslagname gezegd hun mobiel uit te schakelen. Hoeft dit niet te gelden
voor de mensen die geacht worden de basis te leggen voor een regeerprogramma?
Misschien helpt het als u zegt dat de echt machtigen het zonder zo’n
apparaat kunnen stellen. Daar hebben ze namelijk hun medewerkers voor.
Ooit Chirac, Blair of Barroso met een mobiel gezien?
Maar dit is slechts een opmerking terzijde. De werkelijke reden
voor mijn schrijven is de wijze waarop u straks verslag doet
van uw werkzaamheden. U moet toch met me eens zijn dat zo’n formatie een vreemde figuur
is in ons staatsrechtelijk systeem. Eerst een verkiezingscampagne waar
iedereen elkaar dagelijks in de volle openbaarheid de maat neemt, dan
verkiezingen waarbij de kiezers hun oordeel geven en vervolgens kabinetsformatie
achter gesloten deuren waarbij dezelfde kiezers maar moeten afwachten
wat er uiteindelijk uit de bus komt. Of anders gezegd: om te zien wat
er van hun stem is overgebleven. Natuurlijk, ik ken het weerwoord: in een coalitiestelsel kan
het nu eenmaal niet anders. En misschien is dat ook wel een
beetje zo. U hoort mij dan ook niet zeggen dat de besprekingen in
de volle openbaarheid
moeten plaatsvinden. Maar bent u het niet met mij eens dat
gedwongen beslotenheid tijdens het formatieproces maximale openbaarheid
achteraf rechtvaardigt?
En daar zit nu juist het probleem. Het is geheel aan u en uw
tafelgenoten te bepalen wat er straks over de onderhandelingen wordt
medegedeeld. Is het werkelijk teveel gevraagd dat u na afloop van uw werkzaamheden – of
de formatie nu wel of niet geslaagd is - alle relevante stukken
die tijdens de onderhandelingen zijn gebruikt, openbaart? Opdat niet alleen
de per
definitie subjectieve commentaren van de onderhandelaars het
beeld bepalen maar ook de stukken zelf. Tijdens de kabinetsformatie van
2003 heeft mijn
krant hier tevergeefs om gevraagd. Ook een beroep op de Wet Openbaarheid
van Bestuur had geen zin. Omdat, zo oordeelde de rechter, de
informateur daar niet onder valt. Het lijkt mij dat u als informateur zelf geheel vrij bent te
bepalen wat u doet met de stukken die tijdens uw werkzaamheden
zijn geproduceerd. Vandaar mijn verzoek aan u. Beperkt u zich zodra
u klaar bent met uw werkzaamheden
niet tot een verslag. Breng alle berekeningen, deelstudies,
Planbureaunotities, fractieamendementen etc in de openbaarheid. Zowel
de verslaggevers van
nu als de geschiedschrijvers zullen u daarvoor erkentelijk
zijn.
Met vriendelijke groet,
Mark Kranenburg
Mark Kranenburg is sinds 2004 correspondent voor NRC Handelsblad in Brussel.
Daarvoor was hij lange tijd voor dezelfde krant politiek redacteur in
Den Haag.
|